Algemene doelstellingenDeze pagina kan je in je
klasagenda stoppen.
ICT-Competenties in het basisonderwijs (Deze zijn overgenomen
uit de publicatie van dvo.)
http://www.ond.vlaanderen.be/dvo/ICT/indexict.htm
I Leerprocesgerichte competenties
Hoofdcompetentie 1:
De leerlingen kunnen functioneel samenwerken aan een opdracht waarbij
zij ICT benutten.
Deelcompetenties:
Plannen
1.1 De leerlingen kunnen door middel van overleg uitmaken bij welke onderdelen
van de opdracht het nuttig is ICT als hulpmiddel in te schakelen.
1.2 De leerlingen kunnen met elkaar afspreken hoe ze ICT zullen benutten
bij het werken aan de opdracht en wie welke taken op zich zal nemen.
Uitvoeren
1.3 De leerlingen kunnen doelgericht informatie, inzichten en meningen
samenbrengen, vergelijken en verwerken tot een groepsresultaat.
Bewaken en evalueren
1.4 De leerlingen kunnen de vorderingen van de groep tussentijds evalueren
en daarbij constructieve feedback geven en benutten.
1.5 De leerlingen kunnen afwegen wat de specifieke meerwaarde van het
ICT-gebruik was binnen hun samenwerking.
Specifieke attitudes
1.6 De leerlingen respecteren elkaars bijdrage en mening.
1.7 De leerlingen respecteren afspraken en timing.
1.8 De leerlingen zijn bereid elkaar te helpen rekening houdend met de
verschillen in ICT-competenties.
Hoofdcompetentie 2:
De leerlingen kunnen met ondersteuning van ICT informatie multimediaal
voorstellen.
Deelcompetenties:
Plannen
2.1 De leerlingen kunnen vastleggen in welke volgorde en onder welke vorm
de informatie voorgesteld zal worden.
2.2 De leerlingen kunnen beslissen welke ICT-toepassingen het meest geschikt
zijn om (delen van) de informatie voor te stellen.
Uitvoeren
2.3 De leerlingen kunnen doelgericht informatie (tekst, beeld en geluid)
voorstellen aan hun doel-publiek met ondersteuning van ICT.
Bewaken en evalueren
2.4 De leerlingen kunnen reflecteren over de gevolgde werkwijze en daaruit
conclusies trekken.
2.5 De leerlingen kunnen oordelen en feedback geven over de kwaliteit
van de eigen of andermans voorstelling.
Specifieke attitudes
2.6 De leerlingen houden bij hun voorstelling rekening met de kenmerken
en verwachtingen van hun doelpubliek.
Hoofdcompetentie 3:
De leerlingen kunnen zelfstandig leren met behulp van ICT.
Deelcompetenties:
Uitvoeren
3.1 De leerlingen zijn in staat een eigen leertraject te volgen aan de
hand van een elektronisch ge-stuurd stappenplan.
3.2 De leerlingen kunnen zelfstandig leren aan de hand van een vertrouwd
educatief software-programma.
3.3 De leerlingen kunnen een simulatie uitvoeren aan de hand van een op
hen gericht educatief softwareprogramma en daar conclusies uit trekken.Bewaken
en evalueren
3.4 De leerlingen kunnen reflecteren op hun gevolgde werkwijze en op wat
ze geleerd hebben in combinatie met de vooropgestelde doelen.
Hoofdcompetentie 4:
De leerlingen kunnen doelgericht bestaande informatie opzoeken, verwerken
en bewaren met behulp van ICT.
Deelcompetenties:
Plannen
4.1 De leerlingen kunnen adequaat kiezen welke informatiebronnen het meest
geschikt zijn om bepaalde informatie op te zoeken.
4.2 De leerlingen kunnen beslissen op welke manier zij de gevonden informatie
zullen opslaan om ze later opnieuw te kunnen raadplegen.
Uitvoeren
4.3 De leerlingen kunnen met behulp van ICT een zoekopdracht formuleren
en uitvoeren.
4.4 De leerlingen kunnen onder begeleiding oordelen welke informatie relevant
en interessant is binnen de onderzoeksopdracht.
4.5 De leerlingen kunnen onder begeleiding de bruikbare informatie ordenen
en bewaren.
Bewaken en evalueren
4.6 De leerlingen kunnen het eigen zoekproces bijsturen in functie van
de reeds bekomen resulta-ten.
4.7 De leerlingen kunnen aangeven waarom hun eigen aanpak wel of niet
succesvol was.
Specifieke attitudes
4.8 De leerlingen nemen een kritische houding aan tegenover de beschikbare
informatie.
4.9 De leerlingen streven naar nauwkeurigheid en systematiek bij het raadplegen,
ordenen en bewaren van informatie.
4.10 De leerlingen vermelden spontaan de bronnen die ze gebruikt hebben.
4.11 De leerlingen tonen bereidheid en volharding bij het zoeken naar
informatie.
Specifieke instrumentele vaardigheden
4.12 De leerlingen zijn in staat om zoekopdrachten uit te voeren d.m.v.
eenvoudige procedures zoals: invoeren van een website-adres, zoeken via
zoekrobot, navigeren d.m.v. hyperlinks, menu-opties hanteren.
Hoofdcompetentie 5:
De leerlingen kunnen met behulp van elektronische communicatiemiddelen
eigen boodschappen zenden en voor hen bedoelde boodschappen ontvangen.
Deelcompetenties:
Plannen
5.1 De leerlingen maken een doelgerichte keuze uit verschillende communicatiemiddelen
rekening houdend met de mogelijkheden en de beperkingen ervan.
5.2 De leerlingen kunnen vooraf aangeven wat de essentie is van hun boodschap.
Uitvoeren
5.3 De leerlingen kunnen in het kader van een opdracht efficiënt
communiceren via de gangbare communicatiemiddelen.
Bewaken en evalueren
5.4 De leerlingen kunnen oordelen of de communicatie efficiënt was
en indien nodig bijsturen.
Specifieke attitudes
5.5 De leerlingen houden rekening met de kostprijs van elektronische communicatie.
5.6 De leerlingen respecteren de algemene omgangsvormen bij het elektronisch
communiceren (netiquette).
5.7 De leerlingen reageren alert en weerbaar op ongewone boodschappen.
5.8 De leerlingen verspreiden geen vertrouwelijke informatie via elektronische
weg.
Specifieke instrumentele vaardigheden
5.9 De leerlingen zijn in staat om de gangbare communicatiemiddelen te
hanteren.
Hoofdcompetentie 6:
De leerlingen kunnen met behulp van ICT zelfstandig oefenen.
Deelcompetenties:
Uitvoeren
6.1 De leerlingen kunnen zelfstandig oefenen met een vertrouwd educatief
software-programma.
Bewaken en evalueren
6.2 De leerlingen kunnen oordelen of zij de opdracht tot een goed einde
hebben gebracht.
Specifieke attitudes
6.3 De leerlingen maken spontaan gebruik van voor hen bedoelde helpfuncties.
Hoofdcompetentie 7:
De leerlingen kunnen met behulp van ICT zelfstandig een werkstuk creëren.
Deelcompetenties:
Plannen
7.1 De leerlingen kunnen oordelen welke ICT-hulpmiddelen hen kunnen helpen
bij het creëren.
Uitvoeren
7.2 De leerlingen kunnen met behulp van ICT eigen ideeën met tekst
en beeld creatief vorm geven en beschikbaar maken.
Bewaken en evalueren
7.3 De leerlingen kunnen oordelen of zij de opdracht tot een goed einde
hebben gebracht en reflec-teren op hun werkwijze.
7.4 De leerlingen kunnen het werk van hun medeleerlingen beoordelen en
feedback geven over hoe zij het zouden aanpakken.
II Instrumentele vaardigheden
Hoofdcompetentie 8:
De leerlingen bezitten de nodige instrumentele kennis en vaardigheden
om de ICT-apparatuur in relevante contexten te kunnen hanteren.
Deelcompetenties:
8.1 De leerlingen zijn in staat om functioneel gebruik te maken van een
correcte basisterminologie.
8.2 De leerlingen zijn in staat om de elementaire functies van een computer
en voor hen beschikbare randapparatuur te gebruiken.
8.3 De leerlingen zijn in staat om hun eigen gegevens op een gestructureerde
wijze digitaal op te slaan.
8.4 De leerlingen zijn in staat om de basishandelingen uit te voeren van
een vertrouwd besturings-systeem.
8.5 De leerlingen zijn in staat om de basishandelingen uit te voeren van
eenvoudige schrijf-, teken- en presentatieprogramma’s, van zoek-
en communicatieprogramma’s.
8.6 De leerlingen zijn in staat om de elementaire bedienings- en veiligheidsvoorschriften
te respecteren.
III Sociaal-ethische competenties
Hoofdcompetentie 9:
De leerlingen wenden ICT nuttig aan als hulpmiddel.
Deelcompetenties:
9.1 De leerlingen gaan op een kritisch-waarderende wijze om met ICT als
maatschappelijk gegeven.
9.2 De leerlingen werken nauwkeurig en verzorgd en controleren hun werk
op fouten.
9.3 De leerlingen dragen zorg voor de apparatuur en de software.
9.4 De leerlingen signaleren contact met schadelijke of discriminerende
inhouden aan een vertrouwde volwassene.
9.5 De leerlingen werken op een ergonomische manier met de computer.
9.6 De leerlingen proberen de duur van een ICT- opdracht realistisch in
te schatten en te bewaken.
9.7 De leerlingen geven of vragen spontaan hulp bij computerproblemen.
9.8 De leerlingen hebben respect voor de intellectuele eigendom van anderen
bij het gebruik van informatie en software.
9.9 De leerlingen houden rekening met de financiële en ecologische
aspecten van ICT-gebruik.
9.10 De leerlingen hebben weet van het bestaan van virussen en signaleren
spontaan voor hen ongewone berichten.
Binnen de verschillende vakken vinden we nog :
WeRo
Technologische opvoeding & techniek
De leerlingen kunnen in hun omgeving informatieverwerkende toepassingen
herkennen.
De leerlingen leren effectief met informatica en informatieverwerking
omgaan.
Ruimte - Brongebruik
De leerlingen kunnen op hun niveau verschillende informatiebronnen raadplegen
en deze informatie herwerken.
Nederlands
Lezen
De leerlingen kunnen (verwerkingsniveau = beschrijven) de informatie achterhalen
in:
voor hen bestemde instructies voor handelingen van gevarieerde aard.
De leerlingen kunnen (verwerkingsniveau = structureren) de informatie
ordenen die voorkomt in:
- voor hen bestemde instructies voor handelingen van gevarieerde aard.
- voor hen bestemde school- en studieteksten en instructies bij schoolopdrachten.
- voor hen bestemde verhalen, kinderromans, dialogen, gedichten, kindertijdschriften
en jeugdencyclopedieën.
Schrijven
De leerlingen kunnen (verwerkingsniveau = structureren):
- schriftelijk antwoorden op vragen over verwerkte inhouden.
Vaardigheden & strategie
De leerlingen kunnen die luister-, spreek-, lees-, en schrijfvaardigheden/strategieën
aanwenden die nodig zijn om de respectievelijke eindtermen te realiseren.
Zij houden daarbij onder meer rekening met de totale luister-, spreek-,
lees- en schrijfsituatie, de tekstsoort en het verwerkingsniveau, zoals
die aangegeven zijn in de desbetreffende eindterm.
Muzische vorming
Beeld
De leerlingen kunnen beeldinformatie herkennen, begrijpen, interpreteren
en er kritisch tegenover staan.
Leren leren
De leerlingen kunnen op systematische wijze verschillende informatiebronnen
op hun niveau zelfstandig gebruiken.
De leerlingen kunnen op systematische wijze samenhangende informatie (ook
andere dan teksten) verwerven en gebruiken.
De leerlingen kunnen eenvoudige problemen op systematische en inzichtelijke
wijze oplossen.
De leerlingen kunnen (eventueel onder begeleiding) hun eigen leerproces
controleren en bijsturen.
De leerlingen kunnen op hun niveau leren met:
- nauwkeurigheid
- efficiëntie
- wil tot zelfstandigheid
- voldoende zelfvertrouwen
- voldoende weerbaarheid
- houding van openheid en met kritische zin. |